Wetenschap
De doctors van Johan Huizinga
De internationaal vermaarde historicus Johan Huizinga (1872-1945) studeerde Nederlands en Oosterse taal en letteren in zijn geboorteplaats Groningen, linguïstiek in Leipzig en promoveerde in 1897 in Groningen op De Vidusaka in het Indisch tooneel. Hij richtte zich daarna meer op de geschiedwetenschap. Werd in 1905 hoogleraar in Groningen en in 1915 hoogleraar algemene geschiedenis en politische aardrijkskunde in Leiden. Bij hem zijn tussen 1911 en 1941, toen de bezetter de universiteit sloot, dertig jonge wetenschappers, onderwie prinses Juliana (ere-doctoraat) gepromoveerd.
  1. Heert Terpstra (4 juli 1911) De vestiging van de Nederlanders aan de kust van Koromandel (Groningen, 1911).
  2. Petrus Anne Meilink (10 mei 1912 cum laude) De Nederlandsche Hanzesteden tot het laatste kwartaal der XIVde eeuw (’s-Gravenhage, 1912).
  3. Geerko Marten Reyntjes (14 maart 1914) Groningen en Ommelanden van 1580 tot 1594 (Groningen, 1914).
  4. Johanna Mathilda Sernée (11 februari 1916) Het geschil over het prinsdom Oranje in de jaren 1650-1660 (Amsterdam, 1916).
  5. Herman Kampinga (13 juli 1917 cum laude) De opvattingen over onze oudere vaderlandsche geschiedenis bij de Hollandsche historici der XVIe en XVIIe eeuw (’s-Gravenhage 1917).
  6. Johannes Itjeshorst Jzn. (28 september 1917) De werkzaamheid van Du Plessis Mornay in dienst van Hendrik van Navarre, in de jaren 1576 tot 1582 (Kampen, 1917).
  7. Johanna Dorina Hintzen (2 juli 1918) De kruistochtplannen van Philips den Goede (Rotterdam, 1918).
  8. Adriana Petronella Roose (22 september 1919) Het karakter van Jean-Jacques Rousseau (Groningen, 1919).
  9. Gerrit Kalf jr. (7 juli 1920) De verklaring der Fransche revolutie bij haar voornaamste geschiedschrijvers (Haarlem, 1920).
  10. George Abraham Boutelje (7 juli 1920) Bijdrage tot de kennis van A.Kluit’s opvattingen over onze oudere vaderlandsche geschiedenis (Groningen/ Den Haag, 1920).
  11. Willem de Bruin (30 oktober 1924) Onderzoekingen naar het economisch element in de buitenlandsche politiek der Julimonarchie van 1830-1840 (Amsterdam,1924).
  12. Leendert Brummel (19 november 1925) Frans Hemsterhuis. Een philosofenleven (Haarlem, 1925).
  13. Philippina Henriette Jacomina Knierim (5 juli 1926) Dirk van Herxen (1381-1457) rector van het Zwolsche fraterhuis (Amsterdam, 1926).
  14. Piet Jan van Winter (17 juni 1927 cum laude) Het aandeel van den Amsterdamschen handel aan den opbouw van het Amerikaansche gemeenebest. Eerste deel (’s-Gravenhage, 1927).
  15. Evert Willem Schallenberg (26 maart 1929) Studiën over Frédéric Chopin (’s-Gravenhage, 1929).
  16. Hendrina Beytje Clasina Willemina Vermeer (21 juni 1929) Het tractaat ‘Ortus et decursus Ordinis Cartusiensis’ van Hendrik Egher van Kalkar met een biographische inleiding (Wageningen, 1929).
  17. Willem Sebastiaan Gelinck (5 juli 1929) De liber homo in de Magna Carta. Historiografische studie over de opvatting van een term uit het Engelsche recht (Haarlem, 1929).
  18. Prinses Juliana (31 januari 1930 erepromotie).
  19. Matthijs Bokhorst (14 maart 1930) Nederlands-Zwitserse betrekkingen voor en na 1700. Eerste deel (1685-1697) (Amsterdam, 1930).
  20. Theodor Jakob Gottlieb Locher (4 december 1931) Die nationale Differenzierung und Integrierung der Slovaken und Tschechen in ihrem geschichtlichen Verlauf bis 1848 (Haarlem, 1931)
  21. Herman Bernard Wiardi Beckman (11 december 1931) Het syndicalisme in Frankrijk (Amsterdam, 1931).
  22. Gerard Kalsbeek (27 mei 1932) De betrekkingen tusschen Frankrijk en Gelre tijdens Karel van Egmond (Wageningen, 1932).
  23. Petronella Fransen (6 april 1933) Leibniz und die Friedensschlüsse von Utrecht und Rastatt- Baden (Purmerend, 1933).
  24. T’ien-Tsê Chang (22 december 1933) Sino-Portuguese trade from 1514 tot 1644. A synthesis of Portuguese and Chinese sources (Leiden, 1934).
  25. Hendrik Nicolaas Boon (3 april 1936) Rêve et réalité dans l’oeuvre économique et sociale de Napoléon III (’s-Gravenhage, 1936).
  26. Petrus Johannes van der Merwe (24 september 1937) Die Noordwaartse beweging van die Boere voor die Groot Trek (1770-1842) (Den Haag, 1937).
  27. Johanna Katharina Oudendijk (1oktober 1937) Een cultuurhistorische vergelijking tusschen de Fransche en de Engelsche parlementaire redevoering (Utrecht, 1937).
  28. Gregorius van Alphen (30 juni 1938) De stemming van de Engelschen tegen de Hollanders in Engeland tijdens de regeering van den koning-stadhouder Willem III, 1688-1702 (Assen, 1938).
  29. François Jacobus du Toit Spies (6 juni 1941) Hamelberg en die Orange-Vrijstaat (Amsterdam, 1941).
  30. Adolf Emile Cohen (18 augustus 1941) De visie op Troje van de westerse middeleeuwse geschiedschrijvers tot 1160 (Assen, 1941).
Bron: Anton van der Lem, Inventaris van het archief van Johan Huizinga. Bibliografie 1897-1997. Leiden, 1998.