|
Natuurwetten genoemd naar de onderzoekers
|
- Wet van Archimedes (287-212 v. Chr.): de opwaartse kracht die een lichaam
in een vloeistof ondervindt, is gelijk aan het gewicht van de verplaatste
vloeistof.
- Wet van Ampère (1775-1836): elektrische stroom wekt een magneetveld op.
- Wet van Bernoulli (1700-1782): beschrijft het stromingsgedrag van
vloeistoffen of gassen en relateert de drukveranderingen aan hoogte- en
snelheidsveranderingen.
- Wet van Boyle-Gay-Lussac (1627-1691): de druk van gas is omgekeerd evenredig aan het
volume en recht evenredig aan de temperatuur.
- Wet van Buys Ballot (1817-1890): met de rug naar de wind, ligt het
lagedrukgebied op het noordelijk halfrond links en het hogedrukgebied
rechts.
- Wet van Coulomb (1736-1806): als twee elektrische ladingen beide positief zijn, of
beide negatief, oefenen zij een afstotende kracht op elkaar uit. Zijn zij
tegengesteld, dan is de kracht een aantrekking.
- Wet van Dalton (1766-1844): de som van alle partiële drukken van de gassen
in een mengsel is gelijk aan de totale druk van het gasmengsel.
- Wet van Faraday (1791-1867): een veranderend magneetveld wekt een
elektrisch veld op.
- Wet van Fourier (1768-1830): beschrijft de warmteoverdracht door geleiding.
- Wet van Hagen-Poiseuille: geldt voor laminaire stroming door een
cilindrische buis. Geeft de relatie tussen volumestroom, drukverschil,
viscositeit en diameter.
- Wet van Hopkinson (1849-1898): is het magnetisch equivalent van de wet van
Ohm.
- Wet van Hooke (1635-1703): de uitrekking van een veer is recht evenredig
met de kracht welke op de veer wordt uitgeoefend.
- Wet van Hubble (1889-1953): melkwegstelsels verwijderen zich van elkaar
met een snelheid die evenredig is met hun onderlinge afstand.
- Wet van Joule (1818-1889): geeft het verband weer tussen de hoeveelheid
warmte die in een weerstand wordt gegenereerd door een elektrische stroom.
- Wetten van Kepler (1571-1630): zijn drie natuurkundige wetten op het gebied
van de mechanica, die de bewegingen van de planeten beschrijven.
- Wetten van Maxwell (1831-1879): zijn de vier natuurkundige wetten van het
elektromagnetisme, de theorie van elektrische en magnetische velden en
elektromagnetische straling zoals licht.
- Wet van Nernst (1864-1941): geeft de elektrodepotentiaal aan (relatief ten
opzichte van de standaard-elektrodepotentiaal ) van een elektrodenpaar (of
van de halfcellen van een batterij).
- Wetten van Newton (1642-1727):
1. Een voorwerp waarop geen krachten werken, beweegt in een rechte lijn met
constante snelheid.
2. Een voorwerp met massa m waarop een kracht F werkt, ondergaat een
versnelling a volgens de vergelijking F = m . a
3. Als een voorwerp een kracht F op een ander voorwerp uitoefent, gaat deze
kracht gepaard met een even grote, maar tegengestelde kracht -F van het
tweede op het eerste voorwerp. Deze wet wordt vaak samengevat als:
actie = reactie of beter nog actie = -reactie.
- Gravitatiewet van Newton: de zwaartekracht of gravitatie is de aantrekkende
kracht die twee massa's op elkaar uitoefenen.
- Wet van Ohm (1787-1854): legt een relatie tussen spanning, weerstand en
stroomsterkte.
- Wet van Pascal (1623-1662): druk, uitgeoefend op een deel van een
vloeistof, plant zich in alle richtingen met dezelfde grootte voort.
- Wet van Raoult (1830-1901): voor een ideaal mengsel is de partiele druk van
component i in de gasfase gelijk aan de fractie component i in de
vloeistoffase maal de verzadigde dampspanning.
- Wet van Snellius (1580-1626): geeft aan hoe lichtstralen gebroken worden
op de overgang van het ene medium naar het andere (bijv. lucht en glas) en
geeft daarmee een definitie voor de brekingsindex.
|
|